- brief
- adj. kort--------n. instructie (voor pleiter); vlieginstructie; (dames/heren)slip--------v. instrueren; rapporterenbrief1[ brie:f]I 〈telbaar zelfstandig naamwoord〉1 stukken ⇒ bescheiden, dossier; 〈juridisch〉 instructie voor pleiter 〈opgesteld ten behoeve van advocaat〉; 〈Brits-Engels; bij uitbreiding〉 opdracht voor een ‘barrister’2 〈luchtvaart〉vlieginstructie 〈voor (gevechts)piloten〉 ⇒ briefing3 〈rooms-katholiek〉breve ⇒ kort pauselijk schrijven♦voorbeelden:1 a barrister with plenty of briefs • een advocaat met een drukke praktijkhold (a) brief for someone 〈juridisch〉 • pleitbezorger zijn van iemand〈figuurlijk〉 it's not part of your brief to tell her what to do • het is niet aan jou haar te zeggen wat ze doen moetII 〈meervoud; werkwoord steeds meervoud〉1 (dames/heren)slip ⇒ (pijploos) onderbroekje, bikinibroekje————————brief2〈bijvoeglijk naamwoord〉1 kort(stondig) ⇒ beknopt, bondig, vluchtig♦voorbeelden:1 a brief look at the newspaper • een vluchtige blik in de krantbrief and to the point • kort en krachtigbe brief • het kort houdenin brief • om kort te gaan, kortom————————brief3〈werkwoord〉1 instrueren ⇒ aanwijzingen geven♦voorbeelden:1 please brief me on this point • wil je dit punt even met me doornemen?
English-Dutch dictionary. 2013.